Bijzondere Verrichtingen en Manoeuvres

Op je praktijkexamen moet je verschillende bijzondere verrichtingen uitvoeren. Oefen met de verschillende bijzondere verrichtingen zodat de kans op het slagen voor je rijexamen steeds groter wordt! Rijschool Ritsen helpt je alvast op weg. Bij een bijzondere verrichting draait het vooral om de beheersing van het voertuig (gas, koppeling, remmen). Bij een bijzondere manoeuvre om het scannen naar een geschikte en veilige (parkeer/draai)plek én de uiteindelijke keuze maken voor deze plek.

 

Welke bijzondere verrichtingen zijn er?

  1. Stopopdracht
  2. Parkeeropdracht
    • Vooruit inparkeren  
    • Achteruit inparkeren  
    • Fileparkeren vooruit
    • Fileparkeren achteruit
  3. Bocht achteruit
  4. Omkeeropdracht
  5. Hellingproef

Belangrijke aandachtspunten

De verschillende opdrachten die je krijgt hoef je niet helemaal vlekkeloos uit te voeren. De belangrijkste aandachtspunten tijdens het verrichten van de opdracht zijn: 

  • Het andere verkeer heeft altijd voorrang.
  • Houd het verkeer rondom je auto altijd in de gaten. 
  • Wees altijd duidelijk naar de andere weggebruikers.

Bijzondere verrichtingen in het echt oefenen?

De bijzondere verrichtingen optimaal oefenen? Neem een proefles bij Rijschool Ritsen en maak kennis. Tijdens onze rijlessen worden de bijzondere verrichtingen continue geoefend. Ze zijn heel belangrijk om straks in één keer te slagen voor je praktijkexamen!

 

FileParkeren

Hoe werkt fileparkeren? Het is heel simpel. Volg de voglende vijf stappen en fileparkeren is een eitje.

Stap 1: Zoek een ruime parkeerplek op. Kies niet voor een krap plekje, want je zult zien dat het je de eerste paar keer niet gaat lukken om mooi in te parkeren. Kies pas voor krappere plekken wanneer je beter kunt inparkeren.

Stap 2: rijd voorbij het parkeervak en sta stil naast de andere auto. Zorg dat de afstand tussen jouw auto en de auto ernaast ongeveer 50 centimeter is. Je rechterbuitenspiegel moet gelijk staan met de bumper van de andere auto.

Stap 3: Nu rijd je langzaam achteruit. Wanneer de achterkant van de geparkeerde auto ergens tussen de voor- en achterdeur van jouw auto valt, is het tijd om in te sturen. Dit is goed te zien op onderstaande afbeelding:

Stap 4: Draai je stuur ver naar rechts en rijd langzaam naar achteren. Je stopt wanneer de afstand tussen de stoep en de rechterachterband ongeveer 30 centimeter is.

Stap 5: Vervolgens zet je de auto recht door je stuur naar links te draaien, terwijl je nog steeds naar achteren rijdt. Heb je een grote plek ?Rijd dan zo ver mogelijk naar achteren. Je kunt vervolgens weer iets naar voren rijden en de auto corrigeren.

Nog een keer alle stappen zien, alleen dan in een video? Bekijk onderstaande video!

ACHTERUIT INPARKEREN

Stap 1: Zoek op de parkeerplaats een plek op die ruim genoeg is voor jouw auto. Sommige plekken zijn erg smal, omdat de auto’s aan beide kanten van de plek niet netjes geparkeerd staan.

Stap 2: Voordat je ergens stopt of stilstaat, kijk je in de binnenspiegel, rechterbuitenspiegel en over je rechterschouder. Je geeft je richting aan naar rechts. Zorgt ervoor dat je ongeveer 1 meter ruimte hebt tussen jouw auto en de rand van de parkeervakken, zodat je genoeg ruimte hebt om te draaien straks. Stop als de rechterbuitenspiegel van de auto in lijn staat met de bovenste lijn van het parkeervak waar je wilt parkeren.

Stap 3: Rij een parkeervak verder en stop je wanneer je rechterbuitenspiegel in een lijn staat met de bovenste lijn van het  parkeervak.

Stap 4: Kijk door je binnenspiegel, linkerbuitenspiegel, rechterbuitenspiegel en over je rechterschouder. Dan zet je de auto in de achteruitversnelling en rijd je recht achteruit.

Stap 5: Draai je stuur naar rechts. Blijf in tussentijd rondom de auto kijken. Als de auto in één lijn staat met het vak draai je het stuur naar links en rijd je recht achteruit het vak in. Stop wanneer de auto in het vak staat. Je staat nu ingeparkeerd!

Bocht ACHTERUIT RIJDEN

Stap 1: Rijd bij de bocht waar je de oefening wilt uitvoeren ongeveer 5 á 10 meter door. Houd rekening met een breedte van maximaal een halve meter van de auto tot de stoeprand, zodat je straks genoeg ruimte hebt om de bocht te maken. Voordat je stopt, zet je je knipperlicht naar rechts aan, kijk je goed in je rechterbuitenspiegel, je binnenspiegel en je binnenspiegel.

Stap 2: Voordat je achteruit rijd, kijk je in je binnenspiegel. Staat er inmiddels geen auto achter je? Wanneer dit niet het geval is, rijd je rustig in een rechte lijn naar achteren.

 

Stap 3:  Zodra de rechte stoeprand van de zijstraat die je in wilt draaien in het zijraam van je achterdeur verschijnt, stuur je gelijkmatig en rustig naar rechts. Laat de auto tijdens het sturen doorrollen, zodat je niet stil komt te staan.

 

 

Stap 4: Ben je op de helft van de bocht, dan stuur je nog meer naar rechts. Staat de auto bijna recht ten opzichte van de straat, dan stuur je vlot terug naar links totdat de auto weer recht achteruit rijdt.

 

 

Stap 5: Bij het recht achteruit rijden houd je de stoeprand (rechte lijn) aan in het midden van je achterruit. Rijd vervolgens ongeveer 5 á 10 meter door in een rechte lijn, voordat je stopt. De oefening is afgerond!

 

Bij het wegrijden zet je je knipperlicht naar links aan. Wanneer er geen ander verkeer aankomt, kun je wegrijden!

DE HELLINGPROEF

De hellingproef valt onder de bijzondere verrichtingen. De hellingproef betekent dat je op een helling stilstaat en vervolgens opnieuw optrekt. In Nederland zijn er geen bergen en weinig heuvels. Toch is de hellingproef nuttig voor veel verschillende situaties. Zo zijn er veel hellingen waar je regelmatig moet stoppen. Denk bijvoorbeeld aan de parkeergarage, waar je een andere autobestuurder voorrang moet geven, of aan de oprit bij een dijk. 

Je moet de hellingproef met en zonder handrem kunnen uitvoeren. Deze vier stappen gaan over de hellingproef zonder handrem.

Stap 1: Voordat je de hellingproef uitvoert, zet je je rechterknipperlicht aan, kijk je over je linkerschouder – de linkerbuitenspiegel – de binnenspiegel, de rechterbuitenspiegel en over je rechterschouder. Wanneer er geen verkeer aankomt, breng je de auto tot stilstand door je rem in te trappen.

Stap 2: Zet de auto in de eerste versnelling. Zet je knipperlicht naar links aan, kijk over je linkerschouder – in de linkerbuitenspiegel en vervolgens in je binnenspiegel. Komt er geen verkeer aan? Dan kun je de proef uitvoeren.

Stap 3: Laat de koppeling opkomen tot het aangrijpingspunt en houdt dat vervolgens vast. Controleer nogmaals op je inderdaad weg kunt rijden en of er inmiddels geen verkeer rondom je auto te vinden is.

Stap 4: Laat je rem rustig los, laat je koppeling verder opkomen en geef een beetje gas bij. Je kunt wegrijden! Pas je snelheid weer aan naar het overige verkeer, zodat je verder geen hinder veroorzaakt voor de omstanders. Vergeet niet je knipperlicht uit te zetten wanneer je weer aan het rijden bent. 

 

Bij een hellingproef met handrem komen er twee extra handelingen bij. Nadat je de auto in de eerste versnelling hebt geplaatst, schakel je de handrem in. De handrem haal je eraf wanneer je in stap vier gas bijgeeft. 

 

Wil je de hellingproef op de juiste manier leren toe te passen? Schrijf je dan in voor een rijles!